Geert gaat mee met uitjes, ze gaan appeltaart met slagroom eten
Voor Clara zijn dit soms zenuwslopende momenten. Als ze hem een keer bij het tafeltje achterlaat om naar de WC te gaan komt Geert haar in het toilet zoeken.
Spiegelbeeld en Appeltaart
Je staat thuis voor de grote spiegel, naakt en huilend: "Wie ben ik eigenlijk nog?"
Ik kom naast je staan, sla mijn arm om je heen, kijk mee in de spiegel en zie daarin mijn gezonde man met een vertwijfelde blik in z'n ogen. "Je bent álles voor mij", zeg ik en hoop dat mijn woorden je enige troost bieden nu je je baan bent kwijtgeraakt.
In het verpleeghuis ga ik met de trap naar boven. Als ik op jouw gesloten afdeling aankom zie ik je voor de liftdeur staan, trappelend als een bruisend paard. Op dat moment stapt iemand de lift uit en glip jij erin. Snel loop ik de trap weer af en onthaal je beneden met open armen: "Hallo Geert, wat leuk dat je me komt ophalen." Verbaasd kijk je me aan. Heimelijk geniet ik, mijn man is slim, héél slim.
's Morgens word ik gebeld door een broeder, want er is helemaal niets met Geert te beginnen. Hij zit al uren in een drijfnat urinebed en is niet te bereiken, wil geen drinken en medicijnen hebben. Ik spoed me naar het verpleeghuis, neem de draagbare radio mee en een CD van Enya. Inderdaad is Geert in de ban van een andere werkelijkheid, hij lacht en gebaart naar iets wat ik niet kan zien en reageert niet op mijn komst.
Ik zet een rustig nummer van de CD op repeat en ga naast zijn bed zitten.
Na verloop van tijd laat Geert toe dat ik hem over zijn kletsnatte T-shirt aai, terwijl ik zachtjes met de CD mee neurie. Heel geleidelijk wordt hij benaderbaar en kan ik hem wat drinken geven. Uiteindelijk mag ik hem verfrissen, droge kleren aan doen en accepteert hij een paar hapjes eten. Aan het einde van de dag lijkt alles weer goed.
Uitgeput rij ik naar huis, waar ik mijn emoties even de vrije loop kan laten.
Geert mag oefenen met een rollator voor steun en balans. We gaan naar buiten, maar Geert raakt totaal gefrustreerd van dat 'domme ding' en duwt de rollator boos van zich af, rakelings langs een geparkeerd staande auto. Oeps... De rest van de wandeling loopt Geert voor me uit, terwijl ik de rollator duw. Ik moet lachen om zijn stoere gedrag en dit bizarre tafereel.
Al wekenlang wil Geert niets meer eten. Inmiddels is hij broodmager, heeft de kracht niet meer om goed rechtop te zitten. De verpleeghuisarts bereidt me op het ergste voor. Oh God nee, mijn Geert gaat dood en ik ben er helemaal nog niet klaar voor. Ik smeek Geert wat te eten, maar hij weigert, houdt zijn lippen stijf op elkaar.
In mijn wanhoop ga ik op zijn schoot zitten en druk snippertjes chocolade tussen zijn lippen en daarna iets van 3 hapjes vla. Dit herhaal ik dagelijks, tot hij uiteindelijk weer zelf gaat eten. Ik bedank hem daarvoor en bied mijn excuus aan. Sorry, sorry lieverd, dat ik zó over je grenzen ben gegaan. Geert knikt.
Geert wil per se "Naar de treinen". Ik begrijp zijn wens niet en bovendien is het niet haalbaar gezien de afstand. Daarom stel ik voor naar het winkelcentrum te gaan, ook leuk, toch?? We lenen een rolstoel, zodat hij niet het hele eind hoeft te lopen. Eenmaal op weg 'springt' Geert vlak voor een naderende auto de rolstoel uit. Het is een wonder dat de chauffeur net op tijd kan stoppen. Totaal ontdaan loop ik met hem terug. Het is me nu wel duidelijk waarom Geert 'naar de treinen' wil.
Cappuccino met appelgebak mét slagroom, dat is 'vaste prik' als we ergens naar toe gaan. Geert eet zijn gebak met enorme happen, waarna de slagroom zijn mond en neus vrolijk siert. Zodra hij het op heeft, wil hij weer weg. Het blijft voor mij een hele uitdaging m'n consumptie te nuttigen én te betalen, voordat Geert naar buiten loopt.
Op een dag pauzeren we in een gezellig koffiehuis. Voordat we onze autorit gaan vervolgen, moet ik echter even naar het toilet. Ik vraag Geert hier te blijven zitten en goed op mijn tas te passen. Tevens geef ik hem geld voor het geval de ober komt afrekenen. Het is druk bij de wc's. Op het moment dat ik eindelijk zit, hoor ik Geert in de 'dames' mijn naam roepen. Ik roep terug en haast me. Inmiddels wringt ook een serveerster zich in de propvolle ruimte, zij wil Geert het wisselgeld geven. Grote hilariteit alom.
Eenmaal buiten de 'dames' vraag ik Geert naar mijn tas. Hij weet het niet. Gelukkig staat m'n tas, weliswaar zeer uitnodigend, nog op ons tafeltje. Pfff... Volgende keer neem ik Geert mee het invalidentoilet in; gezellig toch?
Tijdens een autorit speelt ons liefdesliedje op de radio. Ik zeg dan tegen Geert, dat ik blij ben dat we getrouwd zijn, het voelt goed. Het blijft een tijdje stil, maar dan komt zijn reactie: "Het schept een band". Deze prachtige volzin laat ik eventjes diep tot me doordringen. Wat is liefde toch mooi. De auto maakt een gevaarlijke slinger wanneer ik hem een dikke zoen op z'n wang geef.
We wachten tot de zuster de deur voor ons open doet. Het glas van de schuifpui weerspiegelt ons: Ik sta achter je en heb m'n hand op je schouder. Jij zit kromgebogen in een grote rolstoel; mijn magere, tandeloze man met continu knipperende ogen.
Ik schrik van ons spiegelbeeld en heb geen woorden die nog troost kunnen bieden.




